PGS

ZWO

printen

IK WIL HET, WORD GEZOND

02-05-2020

In de afgelopen weken heb ik mij talloze keren gehuld in schorten, pakken, mondkapjes, brillen, mutsjes en handschoenen. De verschillende afdelingen van het ziekenhuis moesten het soms doen met wat er op dat moment beschikbaar was. Daardoor was het telkens een uitdaging alles aan en uit te doen op een manier die ervoor zou zorgen dat het beruchte virus mij niet zou kunnen raken. Hoe moest ik weten of ik het goed deed? Hoe weten we met zijn allen wat we moeten doen en laten in deze tijd van besmettingsrisico?

We gaan af op de aanwijzingen van deskundigen. In dit geval zijn dat vooral microbiologen. Maar hoe zou het zijn, vroeg ik me af, als we voor de omgang met deze besmettelijke ziekte te rade zouden gaan bij de Bijbel? Dat zou een heel ander perspectief geven. Of het ook tot een ander advies zou leiden, weet ik niet.

Natuurlijk bestond Covid-19 niet in de tijd dat de Bijbel tot stand kwam. We hoeven dan ook niet te verwachten dat er passende adviezen te vinden zijn over dit virus. Maar in de tijd van de Bijbel waren besmettelijke ziekten zeker bekend. En, zelfs zonder microbiologen, wist men dat je zieken maar beter niet kon aanraken. Soms was de ziekte zelfs zo erg, dat het maar beter was de zieke helemaal in afzondering te plaatsen. En dan niet voor veertig dagen, in quarantaine, maar zelf voor de rest van het leven.

De bekendste ziekte in de Bijbel is ongetwijfeld melaatsheid, dat we beter kennen als lepra. In de nieuwe Bijbelvertaling komen we de ziekte tegen als huidvraat, wat doet vermoeden dat het, vertaald, om nog andere aandoeningen zou kunnen gaan dan lepra. Maar verspreid over de vele plaatsen in het Oude en Nieuwe Testament waar de ziekte genoemd wordt, is wel duidelijk dat het een ziekte is die niet alleen iets doet met je lichaam, maar ook met je plaats in de samenleving.

Hebben we dan iets aan al die verhalen, in de strijd tegen Covid-19? Dat ligt eraan hoe je ermee omgaat, lijkt me. Als je de Bijbel ziet als een verzameling regels en aanwijzingen, dan loop je op zijn minst tegen een dilemma aan. Als je de Bijbel ziet als een verzameling literaire kunstwerken, dan zou dit heilige boek wel eens kunnen helpen om een weg te vinden die ons in de crisis verder helpt.

Laten we het maar eens proberen met Lucas 5, vers 12 en volgende. Stel je voor dat de huidvraat die hier genoemd wordt, corona zou zijn. Dan zou het verhaal ongeveer als volgt gaan: “In een van de steden waar hij kwam, stond er plotseling een man voor hem die met corona besmet was. Toen hij Jezus zag, liet hij zich languit op de grond vallen en smeekte hem om hulp met de woorden ‘Heer, als u wilt, kunt u mij gezond maken.’ Jezus stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei ‘’Ik wil het, word gezond.”

Wat Jezus doet, is duidelijk. Hij raakt iemand aan, die door niemand anders aangeraakt wordt. Iedereen weet dat deze man ver van je moet blijven. En als hij met deze klachten in onze tijd over straat zou lopen, zou hij een boete van €390 krijgen. Jezus houdt zich niet aan de richtlijnen van het toenmalige RIVM, gaat naar de man toe en raakt hem zelfs aan. Met een duidelijk “Ik wil het, word gezond” geneest hij de man.


Ik weet zeker dat Jezus in onze huidige crisis veel volgelingen zou krijgen als hij met een aanraking zieken kon genezen. De verleiding zou groot kunnen zijn om te hopen en te geloven dat een dergelijke wonderbaarlijke uitweg uit de crisis ook voor ons haalbaar is. En van de week hoorde ik van een dominee in het midden van het land, die in groot geloof toch maar coronapatiënten bezocht. Helaas heeft zijn bezoek hen niet genezen, maar er wel voor gezorgd dat hij nu samen met zijn vrouw ziek thuis zit. Een klassiek voorbeeld van de tegenstrijdigheid van wetenschap en geloof, van het RIVM en de Bijbel.

We zijn er intussen aan gewend verder te kijken dan het verhaal als geschiedschrijving. We weten dat we meer hebben aan de metaforen die het verhaal ons biedt. Het beeld uit dit verhaal dat ons in deze tijd het meeste raakt, is waarschijnlijk de aanraking die verboden is en tegelijk weldadig. En dat brengt ons tot een omkering die veel kan betekenen in de huidige crisis.

Het valt mij namelijk op dat wij mensen in de openbare ruimte nu bijna een verzameling risico’s geworden zijn. We zijn bedreigend voor elkaar. Iedere medeburger die ik ontmoet, moet op afstand blijven. De ander is niet meer in de eerste plaats iemand om te ontmoeten, maar iemand om te ontwijken. En daardoor zijn we een samenleving van melaatsen geworden, van mensen die elkaar op afstand moeten houden, een anderhalvemetersamenleving.

En dan is er het beeld van Jezus die zijn hand uitsteekt en aanraakt. Het zou een wonder zijn als ons dat zou lukken: als wij de hand kunnen uitsteken en elkaar aanraken. Ik pleit hier niet voor het negeren van de RIVM-normen. Ik pleit voor een onderzoek naar de manieren waarop we elkaar, ondanks alles, niet in de eerste plaats als bedreiging kunnen zien maar als medemensen. En dan bedoel ik niet alleen onze familie en vrienden, maar gewoon de willekeurige mens op de straat, in de winkel, op school en overal.

Elke keer dat we heel bewust op anderhalve meter afstand blijven, kunnen we ons afvragen hoe we mensen kunnen blijven die verbondenheid voelen. In Lucas hoofdstuk 5 zien we hoe Jezus kijkt met welwillende ogen, ook naar deze zieke die een bedreiging is. Nu voor ons alles anders is, kan dit verhaal een uitnodiging worden: om de ander, midden in deze anderhalvemetersamenleving, met innerlijke welwillendheid te bekijken.

Ralf Smeets


laatste update.: