PGS

ZWO

Bijbel-Bijbel algemeen
GEMEENTELEDEN AAN HET WOORD
Toen we met deze serie interviews begonnen wisten we nog niet dat er een coronacrisis zou losbreken. Nu blijkt dat deze manier van vragen stellen via de mail heel coronaproof is. We gaan dus nog even door met de kennismaking tussen leden van de PGSG en de PGGBU. In dit nummer van Onderweg leggen we een aantal vragen voor aan twee organisten. Ria van Mourik van de PGGBU en Fedor Coenen van de PGSG.

Waar en wanneer groeide je op en in welk soort (kerkelijk) gezin?
RIA: Ik ben geboren en opgegroeid in Vreeswijk (nu onderdeel van Nieuwegein). Ik ben de oudste van een gezin met 5 kinderen. Mijn vader was schilder en we hadden een winkel met verf en behang. Wij waren Gereformeerd en in Vreeswijk hoorde je dan bij de ‘lichteren’, De Nederlands Hervormde kerk was Bonds en veel orthodoxer. We woonden naast de NH kerk en waren altijd eerder thuis.
Mijn vader was organist in de kerk en speelde daar 50 jaar 2 x per zondag.
FEDOR: Ik ben in 1970 geboren en vervolgens getogen in het Midden-Limburgse Montfort, en ben van huis uit katholiek. Daar heb ik gewoond totdat ik in 1989 ging studeren. Ik had daar een fijne jeugd, in een warm gezin met nog twee zussen. M’n ouders deden zelf niets met muziek, maar stimuleerden dat wel bij ons. M’n zussen en ik zijn jarenlang samen lid geweest van de plaatselijke fanfare, het jongerenkoor en we speelden ook geruime tijd alle drie kerkorgel.

Vanaf welk moment speelde zang/muziek een rol in je leven? Welke rol?
RIA: We hadden thuis een piano en er werd veel gespeeld en gezongen, vooral uit Kun je nog zingen, zing dan mee. Dus geen ‘dierbare’ en vrome liedjes. We speelden ook graag quatre-mains op de piano.
FEDOR: Op m’n negende ben ik begonnen met blokfluit, een jaar later met orgel en trompet (inmiddels trombone). Vanaf m’n 12de speel ik kerkorgel. Muziek speelt een waardevolle rol in m’n leven, is een belangrijke invulling van m’n vrije tijd (hoewel momenteel wat minder intensief dan in m’n jongere jaren). In m’n studententijd in Enschede hebben Thea en ik elkaar ontmoet bij het Studenten Harmonie Orkest Twente (SHOT). Ik ben nog altijd actief lid van de fanfare uit m’n geboortedorp.

 
Hoe ziet jouw maatschappelijke en muzikale carrière eruit?
RIA: Ik heb op de Mulo in Vianen gezeten en ging daarna naar de kweekschool in Utrecht. Daar hadden we een heel goede muziekleraar en we zongen met de hele school oratoriumwerken in Tivoli, met het Utrechts Symfonie Orkest en jonge solisten die later heel bekend zijn geworden. Dat was geweldig. Op mijn 15e schoof ik in de kerk op de orgelbank naast mijn vader, eerst maar eens een stukje na de dienst en later ook volledige diensten. Ik werd vaste organist in de NH kerk in Tull en ‘t Waal en heb daar veel ervaring opgedaan. Bij kerkelijke jeugdactiviteiten heb ik in heel wat consistories op krakkemikkige harmoniums het zingen begeleid.
In 1961 ging ik naar Geleen en stond daar voor de klas. In die tijd was er een onderwijzerstekort en dus banen genoeg, je kon kiezen. Ik wilde niet thuis blijven en ging ‘op kamers’. Min of meer toevallig werd dat Geleen, dat leek me wel leuk voor een paar jaar. In Geleen leerde ik Jan kennen, we trouwden en kregen 3 zoons. Inmiddels raakte ik meer betrokken bij de kerk en ging meedraaien als organist. Eerst bij jeugddiensten in de Tunnelkerk en in de AMVJ, vanaf 1965 ook in de zondagdiensten in de Bethelkerk.
Ik heb jaren pianoles gehad en ben later in Beek de dirigentencursus gaan doen. Daarna de opleiding voor kerkmuziek waarvan ik het diploma cantoraat haalde en deelcertificaten voor orgel. Het is er niet meer van gekomen om dat af te maken. Die cursus was in Culemborg. Toen ging ik ook orgellessen nemen en daarna zangles en tot slot klavecimbel les want ik heb een spinet. Jarenlang heb ik ’s zomers de Studiedagen Liturgie en Kerkmuziek gevolgd, die worden georganiseerd door de PKN in een voormalige abdij in Hoeven. Al met al heb ik aardig wat bijgeleerd.
Ik zing al mijn hele leven en heb op een Oratoriumkoor gezeten en op een vocaal ensemble. Beide bestaan niet meer. Vanaf 1984 ben ik dirigent van de cantorij.
Voor de klas staan is bij invallen gebleven en ook heb ik als natuurgids verschillende IVN-cursussen gegeven. Mijn man overleed onverwacht in 2001, nu heb ik weer een partner: Frans. Ik ontmoette hem op een van de orgelreizen.
FEDOR: In 1989 ben ik Bestuurskunde gaan studeren en daarbij gekozen voor het lokaal bestuur. Sinds 1994 heb ik achtereenvolgens gewerkt bij de gemeenten Weert, Haarlemmermeer, Sittard-Geleen en Maastricht. Daar ben ik sinds 2016 manager Bestuurszaken en Externe Betrekkingen: een gevarieerde functie in een prachtige stad.
Op muzikaal gebied heb ik jarenlang diverse koren begeleid: op kerkorgel, maar ook op keyboard en basgitaar in een combo van een jongerenkoor. Bijna tien jaar was ik dirigent van enkele kinderkoren, zo’n acht jaar van een jeugdfanfare. Dit jaar ben ik veertig jaar lid van de fanfare van Montfort. Voor deze vereniging heb ik ook een aantal prachtige promsconcerten mogen organiseren en hiervoor ook een aantal nummers mogen arrangeren. Het mooiste vond ik ‘Why God Why’ uit de musical Miss Saigon, voor fanfare, popband en zanger. Heel bijzonder was verder het duo-concert van deze fanfare met het Limburgs Symfonieorkest in juli 2008, in de openlucht bij kasteel Montfort, met ruim 2000 bezoekers.

Is er een verbinding voor je tussen geloof en muziek? Zo ja, welke?
RIA: Die relatie is er zeker. Er is een lied: Ik geloof en daarom zing ik en ik heb wel eens gezegd: Ik zing en daarom geloof ik. Juist door de muziek ben ik betrokken gebleven bij de kerk. Ik vraag me wel eens af ‘Wat geloof ik nou eigenlijk nog’. Maar veel wat je niet uitspreekt kun je wel zingen. En de gemeenschap vind ik belangrijk. De muziek moet ook goed zijn, als er fouten bij het zingen worden gemaakt zal ik dat altijd corrigeren en goed voordoen.
FEDOR: Ik vind het waardevol om met muziek kerkdiensten te verrijken. Het voegt voor de aanwezigen een extra laag toe aan de samenkomst. En nodigt, mits met juiste drive en soms aangepaste toonhoogte, uit om uit volle borst mee te zingen.

PGSG en GBBU bezitten heel wat orgels. Op welke van deze speel je het liefst en waarom?

RIA: We hebben voor Geleen-Beek-Urmond 3 waardevolle orgels: een 18e-eeuws monument in Beek, een historisch 19e-eeuws orgel in Urmond en een waardevol 20e-eeuws orgel in Geleen. Dat betekent dat je voor muziek uit elke periode terecht kunt op een van die orgels. Het orgel in Geleen is groter dan de andere en biedt meer mogelijkheden. Daar speel ik graag op, maar omdat ik van oude muziek houd is Beek ook fijn. Het orgel in Sittard is toch een stuk minder en in Grevenbicht moet je nu op een elektronisch orgel spelen, dat heeft mijn voorkeur niet.
FEDOR: Ik speel op afstand het meest op het orgel van de Johanneskerk, dat is ook een bewuste keuze. Met dat orgel ben ik daardoor het meest vertrouwd, ik weet daarop inmiddels blindelings m’n weg te vinden. Enige ervaring heb ik verder met het orgel in het Gruizenkerkje en in de Ontmoetingskerk, en ik meen dat ik één keer in Grevenbicht gespeeld heb. Het orgeltje in het Gruizenkerkje is door z’n muzikale en helaas ook toenemende technische beperkingen ‘hard werken’: je moet constant nadenken wat hierop zonder problemen wel kan en wat niet. Het gaat daarbij om het omzeilen van de valse tonen en vooral de tonen die ‘blijven hangen’. Het orgel in de Ontmoetingskerk vind ik van de genoemde het veelzijdigste. Ik hou ervan om op een kerkorgel flink uit te pakken (om zeg maar ‘vol op het orgel’ te gaan) en dan mag eigenlijk een luid tongwerk niet ontbreken, evenals stevige pedaalregisters. En die zijn daar aanwezig.

Wat is jouw favoriete componist en muziekstuk?
RIA: Ik heb geen favoriete componist maar houd wel veel van Bach. Ook Gaspard Corette (18e eeuw) speel ik graag, ik houd van luchtige en doorzichtige orgelmuziek, niet van dat massieve. En wat het favoriete muziekstuk betreft kies ik toch gezongen muziek, een mooie cantate.
FEDOR: Ik heb geen overduidelijke favoriet, speel doorgaans ook een breed repertoire. Voor mij hoeven het niet alleen maar oude meesters met technisch hoogstaande fuga’s of zo te zijn, ook een popnummer kan goed klinken op een kerkorgel. Wat ik wel met enige regelmaat speel is het Air van Bach, maar dan wat meer jazzy dan de oorspronkelijke versie, om vervolgens op hetzelfde, vaker toegepaste akkoordenschema modernere nummers erin te verwerken. Van bijvoorbeeld Procol Harum (A whiter shade of pale) of Ramses Shaffy (Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder).

Hoe ervaar je deze tijd van coronamaatregelen?
RIA: Het is wel heel rustig nu ik niets hoef. Eigenlijk is dat best prettig al moest ik er erg aan wennen. Ik merk dat ik oud word. Verder hebben we geen problemen, we zitten in quarantaine in de tuin. Mijn grootste zorg is mijn oudste zoon die een hoge dwarslaesie heeft opgelopen, het zorgcentrum waar hij woont heeft alle bezoek opgeschort, dus dat betekent skypen. Ik heb enkele onlinediensten gevolgd. Mijn complimenten voor iedereen die daar druk mee is. Maar toch zullen we allemaal blij zijn als we weer gewoon naar de kerk kunnen.
FEDOR: Voor wat betreft m’n werk als zeer uitdagend. Er komt niet alleen ten tijde van de crisis veel op gemeenten af, maar we kijken ook al vooruit naar de impact op de middellange en lange termijn. Privé mag ik me gelukkig prijzen dat in de naaste familie alles goed gaat. De maatregelen beperken je ook als gezin in mogelijkheden, maar er blijft nog genoeg over. Daarbij komt dat ik qua karakter meer van het type ‘laten we kijken wat wel kan’ ben, dan omgekeerd.

Onder redactie van Willy de Koning

laatste update.: 08-06-2020