PGS

ZWO

printen

Hieperdepiep......HOERA!


08-01-2017



Het gebeurt niet vaak en natuurlijk wordt er niet voor ieder jarig kerklid gezongen, maar voor meneer Van Well werd op zondag 8 januari een uitzondering gemaakt. Hij werd deze dag 95 jaar. Dominee Pier Prins ging voor in deze gezamenlijke dienst en vertelde van dit heuglijke feit, waarop meneer Van Well ging staan. Daarna zette de gemeente het “Lang zal hij leven” in.

Natuurlijk werd meneer Van Well tijdens het koffie drinken door velen gefeliciteerd.

In 2015 stond in kerkblad Gaandeweg een interview met meneer Van Well, geschreven door Gert Reijnen. Dat staat hieronder afgedrukt:

  

KENNISMAKEN MET EEN GEMEENTELID

 

Dat we samen als Protestantse Gemeente Sittard/Grevenbicht een unieke kerk vormen

is geen nieuws. We zijn levendig, actueel, open, pluriform, warm, eigenzinnig, enzovoort. Maar dat elk van die leden ook weer uniek is dat valt natuurlijk niet bij te benen; dat vraagt om een nadere kennismaking. Neem nou bijvoorbeeld Louis van Well.

 

Louis van Well woont in zorgcentrum Hoogstaete. Zijn kamer heeft een groot raam met uitzicht op woonhuizen en tuinen. Dat was fijn toen hij er bijna 4 jaar geleden kwam wonen, want hij heeft claustrofobie. Nu merkt hij alleen nog dat het licht is. Hij is bijna blind. Een donkere bril over zijn gewone bril moet het licht temperen, want zijn pupillen doen dat niet meer. Bij een foto van zijn vrouw Hilde, die twee jaar geleden overleed, staat de witte gedenksteen uit de kerk. Een kaart met een zevenarmige kandelaar, enkele geschiedenisboeken over Israël en het blad van Christenen voor Israël zie ik. En ook het blad Visie van de EO en een foto van het doopvont en de paaskaars van de Johanneskerk.  “De Johanneskerk is een prettige gemeente. De hond van Elly legde pas tijdens de preek nog zijn kop op mijn schoot” . Louis voelt zich thuis in de Johanneskerk, maar bezoekt ook eenmaal in de maand de kerk van Gangelt, waar hij nog veel kennissen heeft. Zijn Duitse vrouw kerkte daar graag, omdat zij het Nederlands niet kon leren. Na haar overlijden ging hij de Johanneskerk bezoeken. Marius en Miek van Andel halen hem daarvoor op. Na een wandeling in het zonnetje zijn we het interview begonnen. Maar ik hoorde al wel dat hij een beschermengel heeft. Lees maar verder, dan begrijpt u dat wel.

“Ik werd geboren in Den Haag op 8 januari 1922. Ik was een zondagskind. Ik had drie zussen en een broer. Mijn broer kon zich niet zelf verdedigen. Als hij werd aangevallen ging ik hem verdedigen. Ik ben driftig. Ik heb als kleine jongen van negen een lange vent van dertien een blauw oog geslagen. Ik was ziekelijk en heb in de lagere school periode twee jaar op bed gelegen met een darmkwaal die bij veel mensen dodelijk is. Enkele malen dacht men dat ik dood zou gaan, maar ik ben blijven leven. Op mijn vijftiende was ik over de ziekte heen”. Met vader bezocht Louis de Nederlandse Hervormde kerk. Mijn vader, ambtenaar van de gemeente Den Haag, zat graag met zijn kinderen op de eerste rij. In zwart pak en met een bolhoed”. Louis deed pas belijdenis op zijn drieëntwintigste. “Ik had wat meer tijd nodig om zover te komen”. Een oorzaak was dat de dominee, die met enkele catechisanten stond te praten een jongen een enorme uitbrander gaf die iets wilde vragen.

Louis ging naar de rijksvakschool in Schoonhoven om klokkenmaker te worden. Als hij en een medeleerling wilden bidden voor het middageten, werden zij gepest door de zonen van rijke juweliers. Ook zijn verstelde broeken konden deze jongens niet waarderen. Hij bleef thuis wonen, en reisde met de trein heen en weer. Terug in Den Haag moest hij nog vijftig minuten lopen naar huis. Er was zelden geld voor de tram. En dan moest er nog huiswerk worden gemaakt. Het waren lange dagen. Met zijn diploma op zak ging Louis werken bij juwelier Klumper in Den Haag. Ook lid van de NH kerk en een goede man. In een jaar tijd werd Louis chef van het atelier, waar vijf mensen werkten. Klumper wist wel dat Louis graag sociaal werk wilde doen en vond het goed dat Louis in de middag eerder weg ging om handenarbeid te doen met kinderen in het Juliana Kinderziekenhuis die TBC hadden. “Later, bij een keuring in Sittard, werd ontdekt dat ik ook TBC heb gehad, maar ik heb er niets van gemerkt”. 

In 1943 heeft iemand voor geld mij verraden aan de Duitsers en moest ik in Schwenningen in Zuid Duitsland uurwerken maken voor tijdbommen. Pas na duizend uurwerken ontdekten de Duitsers dat de uurwerkjes niet afgingen”. Als straf moest hij langere dagen werken en werd hij ingekwartierd bij een familie. Daarvoor was nog een aanleiding. Voor die tijd zat hij in een hotelkamer, waar hij met jongeren kerkdiensten hield. Ook dat werd verraden, omdat men dacht dat zij een verzetsgroep waren. Maar met de familie waar hij toen woonde heeft hij altijd een goede band gehad. Zij noemden hem Ludwig.

Twee keer kon hij net ontkomen aan executie. “Op de dag voor de bevrijding pakte de Gestapo mij op en werd ik meegenomen naar buiten. Toen een Amerikaanse tank er aankwam zijn zij gevlucht. Korte tijd later wilden twee Marokkanen, in dienst van Franse stoottroepen, mij dood schieten. Ik was een vrouw te hulp gekomen die zij in de kerk wilden verkrachten”. Toen was het een Britse tank die hem redde.  Omdat Louis een EHBO diploma had kwam hij na de bevrijding te werken in een ziekenkamp in Duitsland. Hij werd, al was hij nog maar drieëntwintig jaar, al snel hoofd van de barak. Een Rotterdamse bootwerker sloeg hem daar in elkaar. “Nee, mijn situatie werd er na de oorlog niet  beter op”.

“Na de oorlog woonde ik weer bij mijn ouders. In weekeinden kampeerde ik vaak op kampeerterrein Ockenburg in Den Haag in mijn dubbeldaks Carl Denig tentje. Dat was toen een kampeerbewijsterrein van de ANWB en ik was kampwaard. Later kampeerden mijn vrouw en ik eerst met een grotere tent en daarna met een caravan. Toen mijn ouders overleden ben ik in een flat van de gemeente gaan wonen. Langzamerhand ben ik overgeschakeld van het horlogemakervak naar handenarbeid met zieke kinderen. Ik had ook een werkplaatsje in mijn flat, waar ik kinderen uit achterstandwijken handenarbeid gaf en meteen nagels knipte en handen waste. Tussen alle verpleegsters vond ik geen vrouw waarmee ik wilde trouwen. Mijn Duitse pleegvader zag ook wel dat ik nog steeds geen vrouw had en meldde mij per brief dat hij wel een meisje kende dat geschikt was voor mij. Na eerst een brief te hebben geschreven, heb ik haar met Pasen opgezocht in Schwenningen. Bij alle buren gingen de gordijntjes opzij. Kwam daar een Hollander die belangstelling had voor Hilde? Hetzelfde jaar nog zijn we op 10 oktober getrouwd. Mijn familie nam mij niet in dank af dat ik met een Duitse trouwde. Hilde kwam bij mij in de flat wonen. Ik was toen vijftig en wij waren te oud voor kinderen”. Het werken met jonge kinderen in kleinere klassen vond Louis fijn. Maar toen hij les moest gaan geven aan kinderen van 17 en 18 jaar, in klassen van wel 35 en met weinig budget voor handenarbeidspullen, kreeg hij hartklachten en werd afgekeurd. Zij gingen in Düren in Zuid Duitsland wonen. Maar dat was niet gunstig vanwege pensioen en de ziektekosten verzekering. Op de kaart van Nederland wees Louis aan Hilde een Stad aan, dicht bij de Heimat: Sittard. In 1998 kochten zij een nieuwbouw huis aan de Edisonstraat. Voor Louis een huis met grote ramen en voor Hilde een grote tuin. Drieëntwintig jaar hebben zij daar gewoond, tot de dokter het beter vond dat de toen zieke Hilde met Louis naar Hoogstaete zouden gaan. Na het overlijden van Hilde woont Louis nu al weer twee jaar alleen in Hoogstaete. “Ik heb altijd wel wat te doen. Ik ga op bezoek bij mensen in het huis en ga elke dag naar de fitness. Ik heb het goed hier. Het contact met mensen en het bezoek aan de kerk houden mij op de been”. Het fotoboek, dat we na veel zoeken vonden (“er moet ergens wel iets zijn”), toont een man en vrouw met veel contacten met familie en vrienden in Nederland en Duitsland. Veel foto’s met bloemen, bergen en mooie steden. De smoothie die twee jonge meisjes voor hem hebben ingeschud mag ik hebben. “Ik hoef niet zoveel te drinken”. Jammer dat hij binnenkort helemaal blind moet worden. “Maar ik zal wel weer wat anders vinden om te doen”. 

Wilt u meneer van Well aanspreken? Hij is een boeiend verteller. Het is daarvoor belangrijk dat hij merkt dat u met hem spreekt. Dus noem zijn naam en leg eventueel een hand op zijn schouder. Reageert hij, dan noemt u uw naam en stelt een vraag. Ga gerust voor hem zitten, want hij spreekt zacht en hoort slecht.

 

 Door: Gert Reijnen






laatste update.: