PGS

ZWO

Overweging
VIJF REIGERS EN ÉÉN DOMINEE
De harde regen is voorbij. En ik loop met onze hond een rondje door het veld, achter ons huis. Geen dag hetzelfde.Ik zie een reiger staan, kop fier omhoog op de lange nek, zijn lange poten onzichtbaar tussen het gras, zonder beweging. En ik zie er nog een, en nog een. Het zijn er vijf. In eerste instantie lijkt het dat alle vijf vogels met de snavel dezelfde kant opkijken. Maar eenmaal dichterbij gekomen zie ik dat dat helemaal niet zo blijkt te zijn. Er is ruimte voor variatie. Ze staan allemaal nét wat anders. Wel allemaal statig en ook indrukwekkend. En het is ook niet te zien of er een "leider" bijzit.
Ik blijf nog even staan kijken, in de hoop dat de vogels zullen opstijgen. Dat is namelijk een prachtig gezicht. Maar ze blijven redelijk roerloos staan. Dus mijn gedachten gaan verder. Wát zou hun uitgerekend naar dát stuk land gebracht hebben, alle vijf? Wat is er op dat stuk land te doen, te beleven, of te verkrijgen? Oftewel, waar zit het gemeenschappelijke voor die fiere vogels?
 
Waar zit het gemeenschappelijke? Het is een vraag waar we ons regelmatig mee bezighouden, in onze geloofsgemeenschappen in de vijf kernen (Sittard-Geleen-Grevenbicht-Urmond-Beek). Waar vinden we elkaar in wat we hopen, verwachten en geloven? Wat is ons uitzicht, ons perspectief. Wat is ons gedeelde vermoeden? Wat is als het ware het stuk land waarop we staan, of de grond, de bodem, waarop we ons bevinden? En, hoe vruchtbaar blijkt die grond, wat weten we daarop te verbouwen en daarna te oogsten?
En dat is dan één kant. Het gemeenschappelijke, gericht naar de toekomst van onze geloofsgemeenschap. Maar dan is er ook nog wat ons ieder voor zich uniek maakt en wat heel eigen is in wat ons inspireert en raakt in ons persoonlijk geloof.
 
Die vijf reigers staan dus allemaal net wat anders. Het waait nog een beetje. Heerlijk is dat. Ik hou van de herfst, frisse wind. En het lijkt erop alsof de vogels allemaal zó staan dat ze voor zichzelf op een goede manier de wind kunnen vangen. De een wat meer frontaal, de ander langs de zijkant. Totdat ze in diezelfde wind weer kunnen opstijgen, bedenk ik.
 
Ik loop door en laat de grote vogels in het veld achter mij. Het roerloze beeld, dat apart genoeg toch ook dynamiek uitstraalt. En mijn gedachten gaan naar de beweging, naar het vlíegen. En ik denk eraan hoe dat werkt bij jonge vogels. Afgelopen voorjaar hadden wij een merelnest in onze tuin. Het was een ontroerend gezicht. Eerst zag ik hoe bij het nest de ouders onophoudelijk af en aanvlogen om de jongen te voeren. Geduldig afwachtend soms tot de kust ‘veilig was’. Tot dan het moment kwam dat de jongen zelf het vliegen leerden. De oudervogels nog steeds in de buurt.
 
Een vogel vliegt niet zomaar ineens. Als het de bescherming van het ei heeft verlaten, is er dus eerst nog een tijd de bescherming van het nest, en de zorg (bij de meeste vogels) van de ouders. Volgt er wat later het uitslaan van de vleugels, het eerste fladderen. En komt dan pas het moment om echt uit te vliegen: ‘toe maar, je kunt het, je bent er klaar voor’. Maar het hele proces blijft ook een risicovol gebeuren, met de nodige gevaren.
 
En ik bedenk, daar in het veld, onze geloofsgemeenschap, is dat ook niet een soort ‘vliegschool’? Een plek van voeding en groei, van inspiratie, samenzijn, én ook van het leren vliegen? Leren om op te stijgen, het luchtruim te kiezen, om in de wind te kunnen, en ook in de luwte.
 
In mijn beleving mag een geloofsgemeenschap een ruimte bieden waar mensen, van allerlei leeftijden, waar wij, ons kunnen bezinnen op het leven, en op onze plek daarin. Waarin we als het ware een krachtige vleugelslag kunnen ontwikkelen. Of gewoon, een slag die bij ons past. Waarmee we vooruit kunnen. In ons dagelijkse leven.
Een gemeenschap ook waarin we woorden en waarden krijgen aangereikt, vanuit bronnen die ons dierbaar zijn.
 
En misschien is één van die waarden wel het leren leven in balans. Omdat balans nog niet zo eenvoudig is. Ook niet voor een vogel trouwens, die heeft er zijn staart bij nodig om te sturen, af te remmen, en te landen. Leven in balans, in goede verhouding, gaat dan over het hele persoonlijke, maar zeker ook over het gemeenschappelijke.
Zo leven dat het niet alleen goed is, of te doen is voor jou, maar ook voor de ander. In kleinere en in grotere kring. In de gemeenschap zijn het de verhalen én de ontmoetingen die daarin meehelpen.
 
Op die manier kan de geloofsgemeenschap een plek zijn waar het vliegen geleerd wordt, met alles wat daarbij hoort. En ik vertaal het even als ‘wat het betekent om bij God te horen, en wat het betekent om Jezus na te volgen’.
Maar dan mag de gemeenschap tegelijkertijd ook weer een landingsplek zijn. Een plek om uit te rusten, bij te tanken, om aangesproken te worden, soms misschien gecorrigeerd te worden, uitgedaagd. Een plek waar naast alle actie, ook gewoon tijd en ruimte is voor de rust en de stilte. Omdat in het stilstaan, of in het stil gezet worden, soms heel belangrijke inzichten gevonden kunnen worden. Zoal het Taizélied bezingt: Mijn ziel verstílt in rust en vrede…
 
Het is soms misschien gemakkelijker binnen een geloofsgemeenschap om vooral veel te dóen. Er zijn vaak veel bijeenkomsten, vergaderingen, bezoeken, activiteiten. De kunst en de uitdaging is denk ik wel om dat hand in hand te laten gaan ook met het ‘geheim van het zweven’. Zoals een vogel een goede luchtstroom kan vinden om zichzelf te laten meenemen. Het is het geheim van de overgave. Gedragen worden door de wind. Gestuurd worden door de wind. En soms een nieuwe luchtstroom zoeken waarmee je weer andere luchtruimten verkent..
In gelovige beeldtaal is dat zo mooi aan te duiden als: zweven op adem van Gods Geest..
 
Belangrijk is het om daar met elkaar de aandacht voor te blijven houden. Ja, binnen een geloofsgemeenschap en zeker ook de onze, is geen eenvormige spiritualiteit. We zijn heel verschillend van elkaar en dat vind ik ook mooi. We kijken ook niet allemaal dezelfde kant op. Dat is soms lastig. We hebben niet allemaal hetzelfde uitzicht.
Maar net als die reigers in het veld, staan we met elkaar wel op gemeenschappelijke grond. En staan we met elkaar in diezelfde wind, waardoor we op verschillende manieren worden aangeblazen. Zowel in onze ruststand als wanneer we in beweging komen. Een mooi beeld om dat vast te houden.
 
Laten we kijken op welke manier onze geloofsgemeenschap een vliegschool kan zijn.
En dus ook een landingsplek.
 
Irene Pluim
laatste update.: 28-10-2019